vrijdag, oktober 29, 2004

Olaf Stapledon - Star Maker

Uitgelezen: Star Maker van Olaf Stapledon. Volgens Brian Aldiss in Trillion Year Spree, zijn uitmuntende geschiedenis van sciencefiction, een van de weinige meesterwerken van het genre (naast zijn definitie van sciencefiction een van de meer discutabele uitspraken in het boek.) Het is in zekere zin het ultieme sciencefiction boek, een totaal visioen van de kosmos en de creatieve geest, waarin zijn Last and First Men, de geschiedenis van de toekomst van de mens, wordt gereduceerd tot een paar zinnetjes.

Ik moet bekennen dat het niet een erg meeslepende leeservaring is. De schaal is zo groots, de opzet schetsmatig dat er weinig ruimte is voor normale vertellende conventies. Zoals hij zelf dan ook suggereert is Star Maker veel meer mythe dan roman. Het plezier van het boek zit gedeeltelijk in het herkennen van de preoccupaties van zijn tijd (1937). Stapledon is er allang van overtuigd dat het fascisme uit de hand gaat lopen en veel van de “buitenaardse” civilisaties die de hoofdpersoon (als steeds groeiende en machtiger wordende kosmische geest) tegenkomt zijn nauwelijks verholen verwijzingen naar de situatie in Duitsland. Zijn politieke voorkeur wordt ook steeds duidelijker na mate het kosmisch geestelijke peil een hoger niveau bereikt: utopieën van gelijkheid, zonder bezit, gericht op de perfectionering van de geest ontstaan probleemloos.

Star Maker is sciencefiction Hegel, de verteller volgt de kosmische dialectiek, langs continue opkomende en verdwijnende civillisaties, naar een absolute geest. Dan pas is er de confrontatie met de Sterrenbouwer, daar waar Stapledon waarschijnlijk op zijn subtielst is. De schepper is namelijk geen pure Liefde, maar een veel ambivalentere entiteit, die een zeker sadisme niet vreemd is wanneer hij zijn ontelbare universums in werking zet en vervolgens met kille blik aanschouwt.

De draagwijdte van Star Maker wat betreft afstand en tijdspanne is zonder twijfel ongeëvenaard maar daardoor heeft het boek tot de laatste bladzijden iets kils en afstandelijks. Last and First Men is denk ik uiteindelijk het betere boek. Veel chaotischer in hoe het de overlevingstocht van de mensheid volgt totdat deze ergens achteraf op Neptunus eindigt. En dan is het over. Geen openbaring. Niets. Dat, vermoed ik, is de kosmische waarheid: nihilisme in zijn meest pure vorm. Alles is voor niets. En toch is er dan het grotere plaatje als je de grenzen van het universum mentaal probeert af te tasten, want de Sterrenbouwer en zijn productie van kosmos na kosmos redt je uit die knagende pijn die ontstaat wanneer je als gewone homo sapiens nadenkt over wat er ligt voorbij de grenzen van het heelal, wat er was voor de Big Bang en wat er gebeurt als de complete entropie een feit is.

In de prachtige epiloog van Star Maker, wanneer hij zijn kosmische blik weer heeft vernauwd en bezorgd de aarde aanschouwt, vindt Stapledon iets in de sterren dat ons kracht geeft om door te vechten tegen de schaduwkant van de mensheid:

“Two lights for guidance. The first, our little glowing atom of community, with all that it signifies. The second, the cold light of the stars, symbol of the hypercosmical reality, with its crystal ecstasy. Strange that in this light, in which even the dearest love is frostily assessed, and even the possible defeat of our half-waking world is contemplated without remission of praise, the human crisis does not lose but gains significance. Strange, that is seems more, not less, urgent to play some part in this struggle, this brief effort of animalcules striving to win for their race some increase of lucidity before the ultimate darkness.”